Blog
neuropsychologische expertise en tests
Over emoties en stress
RSS
Model over de relatie tussen gevoelens, emoties, gedachten en stress:
 
INLEIDING
Voor u ligt de inleiding in een model omtrent de relatie tussen onze hersenen, onze persoonlijkheid en ons immuunsysteem. Het bestaat uit 5 korte hoofdstukken waarin een (vereenvoudigd) model van menselijke emoties, gevoelens, gedachten en gedrag wordt uitgelegd. Het model is gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke inzichten over de werking van onze hersenen, de opbouw van ons geheugen en ons zelf- en wereldbeeld.
Het model is holistisch: een verbinding tussen het centrale zenuwstelsel (onze hersenen) en ons stress-afweersysteem (het immunologisch systeem) wordt verondersteld. Hiermee kan het gezien worden als een psychoneuro-immunologisch model.
Met het model kunnen allerlei chronische pijn-aandoeningen enigszins begrepen worden, waarmee tegelijkertijd een behandelingsplan kan worden gesuggereerd. Dit geldt met name voor Whiplash Associated Disorders (WAD), Repetitive Strain Injury (RSI) en mogelijk ook voor Posttraumatische ReflexDystrofie (PD) en Fibromyalgie.
In het eerste hoofdstuk wordt uitgelegd dat er bij de mens 4 basisemoties bestaan en dat deze in balans moeten zijn zodat het stress-afweersysteem zo optimaal mogelijk kan functioneren. Het tweede hoofdstuk legt uit wat het verschil is tussen de basisemoties en gevoelens. De relatie tussen gedachten (cognities) en emoties wordt centraal gesteld waarmee cognitieve (gedrags)therapie tevens wordt gepromoot. Hoofdstuk 3 gaat verder in op hoe in ons geheugen gedachten worden opgeslagen: in een gelaagd associatief of connectionistisch netwerk. De cognitieve rationale wordt verduidelijkt waarin 3 lagen in de persoonlijkheid worden verondersteld. Hiermee wordt eenvoudig verklaard hoe ogenschijnlijk kleine dagelijkse gebeurtenissen iemands gemoedstoestand (emoties) in grote mate snel kunnen veranderen. Hierbij speelt het zelfbeeld een belangrijke rol. Hoofdstuk 4, tot slot, bespreekt vooral de belangrijkste manieren om emotioneel stabieler te worden c.q. om met stress om te gaan. De kern hiervan is het ontwikkelen van een 'onderzoekende' en open instelling naar zichzelf toe waarbij een sterk relativeringsvermogen vereist is.
 
HOOFDSTUK 1: 4 BASISEMOTIES
Alle emoties zijn in vier basisemoties op te delen. Het betreft de basisemoties: woede, angst, verdriet en plezier (De wetenschap ziet walging en verbazing ook als basisemotie; meerdere filosofen zijn het daarmee niet eens. Beide emoties vallen onder Angst). Deze basisemoties zijn in de loop van de menselijke (en dierlijke) evolutie verankerd geraakt in onze genen en ons lichaam. Hierbij nemen woede en angst een zeer fundamentele plaats in: ze zijn zowel te vinden bij de mens als bij vele gewervelde diersoorten. Verdriet is een basisemotie dat mogelijk evolutionair gezien later is ontwikkeld en alleen te zien is bij de wat hogere gewervelde diersoorten. Plezier of lust neemt een hele aparte plaats in: het is de enige basisemotie die inherent plezierig is.
De emoties woede en angst hebben één duidelijke hersenkern van waaruit ze ontstaan: de amygdala of amandelkern. Evolutionair gezien ooit ontwikkeld om heel snel het organisme in actie te brengen: vechten (woede) of vluchten (angst). Voor deze cursus is het belangrijk te weten dat deze amandelkern niet tegelijkertijd woede én angst kan veroorzaken; het is ofwel woede ofwel angst. De omslag kan echter razendsnel gaan zodat het net lijkt alsof beide emoties tegelijkertijd spelen.
Een ander essentieel punt om te onthouden is dat iedere basisemotie in feite niets anders is dan een patroon van communicerende zenuwcellen, hormonale uitscheidingen en spierspanningsveranderingen. Bijvoorbeeld bij woede hoort onder meer de afscheiding van het hormoon adrenaline, dat jaagt de hartslag omhoog, doet de bloeddruk opjagen, de bloedvaten vernauwen en de ademhaling verhogen. Ook angst kent in hoofdlijnen dezelfde lichamelijke veranderingen. Dergelijke lichamelijke veranderingen, die onderdeel zijn van wat de basisemoties genoemd worden, worden vanuit hersenkernen gestart en via het onbewuste, autonome of vegetatieve zenuwstelsel op een razendsnelle manier in werking gezet. Het andere systeem dat deze veranderingen veroorzaakt is het hormonale of endocriene systeem. De uitscheiding van bepaalde hormonen gaat weliswaar erg snel maar het duurt enige uren tot weken voordat de 'hormonale' rust is weergekeerd in het lichaam.
Een derde belangrijk punt is dat elk van de basisemoties op ieder moment in het lichaam actief is. De intensiteit van elke emotie kan echter verschillen en het 'mengsel' van alle 4 basisemoties is ook continu verschillend. Men kan het vergelijken met een equalizer zoals bij een stereo-installatie: elk schuifje staat voor één basisemotie. De schaal waarop geschoven kan worden is van 1 tot en met 10. Men kan zich zodoende voorstellen dat op een gegeven moment de equalizer met de 4 schuifjes een bepaalde stand heeft. Zo heeft woede bijvoorbeeld de waarde 4, angst de waarde 3, verdriet de waarde 1 en plezier de waarde ½. Bij deze stand horen een bepaalde mate van vegetatieve arousal (= 'onrust' van het autonome zenuwstelsel), van hormonale onrust (met de afscheiding van allerlei hormonen) en van spierspanningsveranderingen (die kunnen leiden tot veranderingen in gelaatsuitdrukkingen, houding en bewegingen). Een andere stand leidt vanzelfsprekend tot weer een andere mate van bovengenoemde lichaamsveranderingen. Wanneer iemand emotioneel in balans is, is de 'equalizer'-stand laag en is het schuifje van plezier mogelijk iets hoger dan de andere schuifjes.
Maar emotioneel in balans betekent veel meer dan een bepaalde, lagere intensiteit van de basisemoties. Het betekent ook dat de schuifjes van de equalizer niet té snel alle kanten kunnen opvliegen. Met andere woorden, de basisemoties kunnen niet plotseling van het ene uiterste naar de andere springen. Men kan dan niet zo maar razendsnel heel kwaad zijn en ook heel angstig of verdrietig.
 
Aanbevolen literatuur
                                              
A.R. Damasio (1994). De vergissing van Descartes: gevoel, verstand en het menselijk brein. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
A.R. Damasio (2000). Het zelfgevoel: lichaam en emoties bij de vorming van het bewustzijn. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
J. LeDoux (1996). The emotional brain: the mysterious underpinnings of emotional life. New York: Touchstone.
 
HOOFDSTUK 2:     EMOTIES, GEVOELENS EN GEDACHTEN
Emoties zijn de fundamentele lichaamsveranderingen die vooral op een onbewuste, autonome manier worden geregeld door het autonome zenuwstelsel. Er is echter nóg een verandering die iets later ontstaat en gekoppeld is aan de basisemoties: de cognitieve veranderingen. Cognitie= gedachtengangen, zowel bewust als onbewust, de informatieverwerkende stromen in de hogere hersendelen.
Gevoelens zijn dan een mengeling van de 4 basisemoties waarbij specifieke cognities/gedachten gevoegd zijn. Een voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken: het zien van een loslopende Siberische tijger op het terrein van Burgers dierenpark roept weliswaar angst op maar deze angst is anders dan wanneer de loslopende tijger gezien wordt op een boswandeling ergens in Nederland. Dat komt omdat de cognities (verwachtingen, gedachten) bij Burgers dierenpark anders zijn dan die tijdens een boswandeling. Eén verschil is natuurlijk dat de verwachting van het zien van een tijger binnen de dierentuin veel groter is dan die bij een boswandeling. Hierbij hoort dan ook de gedachtengang dat er vast wel een bewaker in de buurt is in de dierentuin, die b.v. met het dier is gaan wandelen. Het gevoel dat hiermee ontstaat noemen we weliswaar 'bang' maar de intensiteit is niet die van paniek.
Zoals al eerder beweerd zijn emoties er altijd eerder dan cognities, in die zin dat de actieve cognities opgeroepen worden nadat de amygdala gevuurd heeft. Dat neemt niet weg dat cognities niet in sterke mate kunnen sturen wélke mix van basisemoties opgeroepen wordt. In het voorbeeld van de dierentuin is het zo dat iemand normaliter niet direct in paniek raakt als er een loslopende tijger te zien is. Dat komt omdat de gedachten "in een dierentuin horen tijgers", "ik zal straks wel een tijger ergens te zien krijgen" redelijk geactiveerd zijn. Weliswaar is tevens de gedachte subactief "dat een tijger in een dierentuin meestal achter tralies zit", waardoor natuurlijk angst ontstaat (immers, er wordt afgeweken van de normale gang van zaken), maar vooralsnog overheersen "angst-reducerende" cognities.
Vanwege het feit dat we met cognities in sterke mate de intensiteit van de basisemoties kunnen regelen, is de cognitieve therapie ontwikkeld. Deze therapie richt zich in sterke mate op het trainen van realistische, functionele of constructieve gedachtenpatronen. Indien dit goed getraind wordt, is het mogelijk de basisemoties in voldoende mate te reguleren of zo u wilt: te controleren. Op deze manier kan ook het gedrag geregeld worden. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat indien men vanaf de vroege jeugd leert emoties op een verantwoorde manier te reguleren, in gezonde relatie tot de realiteit, een dergelijke training als een automatisme in de hersenen 'gebrand' wordt. Technischer gezegd: de verbindingen tussen de frontale (voorste) delen van de hersenen waar het bewustzijn zetelt en de amygdala zijn sterker bij dergelijk 'goed gecontroleerde' mensen dan bij minder gecontroleerde mensen. Een duidelijk voorbeeld van hoezeer de ratio de meer 'primaire' basisemoties altijd reguleert is te zien bij ernstige hersenbeschadigingen. Indien na een auto-ongeluk de frontaalkwabben van een jongeman ernstig beschadigd zijn kan het zijn dat hij wild en agressief (sexueel) gedrag vertoont. Gedrag dat niet meer gestuurd wordt door (aangeleerde) sociale regels.
Een volledige misvatting van de menselijke natuur is de nog altijd opgeld doende ideeën van Sigmund Freud, een neuroloog en psychiater in de 20e eeuw. Hij suggereerde dat mensen altijd grote moeite moesten doen om hun primaire instincten zoals sex en agressie te 'beteugelen' als een "ridder op een wild paard". Weliswaar zijn alle cognities uiteindelijk gebouwd op de basisemoties maar er zijn nooit aanwijzingen gevonden dat onze geest, onze hersenen, grote moeite moeten doen om schadelijke impulsen vanuit onze lust- of agressie-behoeften constant te beheersen. Alsof de amygdala constant ingesteld staat op woede (aanvallen) of de hypothalamus (waar lust wordt geregeld) constant 'sex' als boodschap schreeuwt. Deze metafoor berust vooral op de ideeën rondom de stoommachine die in de tijd van Freud overal aanwezig was. Alsof emotie-impulsen constant als hete stoom aan de oppervlakte dreigen te komen en dreigen te ontsnappen. De mensfilosofie achter Freud's ideeën (hij heeft nooit enige bewijzen kunnen aanvoeren voor zijn ideeën) is inherent negatief: uitgaande van de verdorven mens. Daarmee lijkt zijn filosofie zeer veel op het joods-christelijke geloof.
De cognitieve rationale gaat van een compleet ander en positiever mensbeeld uit. Uitbarstingen van emotioneel gedrag, of dat nu agressie of angst is, worden simpelweg verklaard door te stellen dat de intensiteit van de basisemoties dan te hoog is en daarmee minder goed gecontroleerd kan worden door de frontaalkwabben (de rationele gedeelten van ons bewustzijn). Inderdaad is uit dierproeven en ervaringen met mensen onder invloed van opwekkende drugs, gebleken dat wanneer de amygdala zeer actief is er weinig controle over het eigen gedrag meer mogelijk is. Deze meer zakelijke en wetenschappelijke manier van het beschrijven van emoties, gedachten en gevoelens levert uiteindelijk meer effectieve modellen en behandelingen op dan de metaforische, niet op bewijzen gestoelde, freudiaanse ideeën.
 
Aanbevolen literatuur
R. Webster (1996). Why Freud was wrong. Sin, science and psychoanalysis. Glasgow: Fontana Press.
H. Israëls (1999). De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
 
HOOFDSTUK 3:     ZELFBEELD, ASSOCIATIEF GEHEUGEN EN ONZE PERSOONLIJKHEID
Onze cognities zijn opgeslagen in een groot, nagenoeg oneindig, associatief geheugennetwerk waar alle informatie-eenheden met elkaar samenhangen. Dit betekent dat in de hersenen alle mogelijke gedachten- en lichaamsveranderingen zijn opgeslagen. Als iemand denkt aan een ervaring met het eten van een vies gerecht dan worden daar onmiddellijk beelden van die gebeurtenis geactiveerd in het bewustzijn. Bij deze beelden worden echter ook zintuigelijke ervaringen geactiveerd zoals bijvoorbeeld de kleur van het gerecht, de reuk, de smaak, het geluid van de ruimte waarin gegeten werd, maar tevens alle lichaamsveranderingen op dat moment. Zo kan eenvoudig dezelfde misselijkheid opgeroepen worden als destijds werd gevoeld. Dezelfde hormonale veranderingen en autonome zenuwstelsel-veranderingen als destijds kunnen ook geactiveerd worden. Met andere woorden: gedachten, basisemoties, lichaamsveranderingen en zelfs gedrag zijn in ons geheugennetwerk aan elkaar gekoppeld.
Om enige ordening aan te brengen in dit grote associatieve netwerk, worden ordeningsprincipes gehanteerd die men in de loop van de opvoeding leert. Geleidelijkaan ontstaan zo basisschema's: geordende bundelingen van informatie die op hun beurt de informatie-opname en verwerking sturen. Een voorbeeld: een klein kind dat voor het eerst in de dierentuin een wolf ziet zal denken dat dit een hond is. Immers, de ervaring die het al heeft gehad thuis en elders is met honden. Zo is een begrip ontstaan - een schema - betreffende 'hond'. Hierin zit kennis over hoe het dier eruit ziet (b.v. 4 poten, harig, snuit en staart), welk geluid het maakt, hoe het kan lopen (b.v. springt het of huppelt het), enzovoorts. Vanuit dit schema denkt en doet het kind ook. Zeker als het opnieuw een dier tegenkomt dat eruit ziet als een hond, ook al is het een wolf.
Dergelijke schema's worden natuurlijk constant gevormd door het verzamelen van kennis en ervaringen om ons heen. Zo zijn er schema's omtrent dieren maar dus ook omtrent mensen. Binnen de ontwikkeling van iemand's persoonlijkheid gaat het vooral om het ontwikkelen van schema's over iemand's zelfbeeld, over de andere mensen om iemand heen en over de wereld en het leven in het algemeen. Dit noemt men de basisschema's omdat deze bepalen hoe mensen kijken naar de realiteit, de wereld om zich heen. Vanuit deze basisschema's denkt, voelt en doet men iets. Je zou kunnen zeggen dat men dan een bepaalde 'instelling' of 'persoonlijkheid' krijgt.
Op grond van de opvoeding en eigen initiatieven ontwikkelt iemand geleidelijkaan deze basisschema's tot steeds complexere schema's. Op grond van allerlei cognitief onderzoek is duidelijk geworden dat ze in lagen worden opgebouwd. Dat moet ook wel wil men alle ervaringen in het geheugen goed opslaan en terug kunnen vinden. Zo ontwikkelt zich een pyramide van ervaringen waarbij slechts enkele fundamentele basisgedachten over zichzelf, de ander en de wereld de basis vormen, de kern van iemand's persoonlijkheid.
Voor het gemak stelt men binnen de cognitieve therapie dat gedachten in het geheugen op 3 niveaus opgeslagen worden:           
1.        een oppervlakkige, automatische gedachten laag. Dat zijn de beelden en/of gedachten die direct door iemand's hoofd flitsen bij een gebeurtenis.
2.        een tussenlaag die niet onmiddellijk bewust is maar wel geactiveerd wordt in het associatieve geheugen: de regels en de voorspellingen. In feite zijn dit de waarden en normen van iemand: hoe iets zou behoren te lopen in de wereld.
3.        een diepere laag die zeker niet bewust ervaren wordt maar die ook geactiveerd wordt bij een gebeurtenis. Deze laag bevat de geactiveerde basisschema's: de basisideeën/gedachten die men over zichzelf, de ander en de wereld heeft.
Cognitieve therapie probeert via speciale vraagtechnieken erachter te komen welke waarden en normen en welke basisideeën actief zijn bij een ervaring van iemand. Vaak blijkt dat er basisideeën actief zijn die niet helemaal realistisch geformuleerd zijn. Hierbij horen dan ook vaak intense basisemoties die, juist door hun intensiteit, blokkerend werken. Men vermoedt dat door de té heftige, intense emoties, de gedachtenpatronen van iemand niet geheel realistisch worden. Emotie stuurt dus de ratio, de cognities. Zolang deze emoties te heftig zijn worden cognities niet constructief gestuurd. Denk maar aan iemand die erg kwaad is en in onderhandelingen daarom net de verkeerde dingen zegt. Als nu iemand zich hier bewust van wordt dan kunnen dergelijke heftige gevoelens veranderd worden, inclusief de onderliggende gedachtengangen. Daarom ook wordt binnen de cognitieve therapie de nadruk gelegd op hoe men denkt, welke 'denkgewoonten' of 'denkfouten' men heeft. Een voorbeeld van een veel voorkomende denkgewoonte is het 'zwart-wit denken': iets is ofwel zus ofwel zo en er is geen genuanceerde middenweg. Dat is trouwens de kern van alle denkfouten: de nuancering en relativering ontbreekt.
  
HOOFDSTUK 4:     UITDAGEN VAN DISFUNCTIONELE GEDACHTEN
Cognitieve therapie benadrukt twee belangrijke zaken: allereerst het leren herkennen van disfunctionele gedachten en ten tweede het veranderen van deze disfunctionele gedachten. Dit zijn gedachten die niet geheel of zelfs helemaal niet realistisch zijn en daarmee altijd blokkerend werken voor het bereiken van iets. Een veel voorkomend voorbeeld van een disfunctionele gedachtengang is: "ik moet dit examen halen". Er is hier slechts 1 woord disfunctioneel, té absoluut gesteld, té extreem. Met dat woord is het ronduit alles of niets: het woordje 'moet'. Moet-denken is één van de meest voorkomende denkfouten die mensen maken. In het leven zijn er slechts enkele dingen die echt moeten, zoals regelmatig drinken en eten. Het woordje 'moeten' kan verder meestal vervangen worden door 'graag willen'. Deze verandering geeft wat meer lucht, meer mogelijkheid om af te wijken van hetgeen men graag wil.
Disfunctionele gedachten zijn dus te herkennen aan hun absolute en extreme karakter. Het opsporen van extremen in de eigen denkbeelden vergt training, oefening omdat men vaak blind is voor de eigen denkbeelden. Dat is logisch: het jarenlang gebruiken van bepaalde woorden of bepaald gedrag leidt tot een automatisme, een gewoonte en die is vrijwel altijd onbewust. Men is zich er niet van bewust dat men bijvoorbeeld vaak 'eh, eh' zegt in een zin, of dat men altijd één hand in de broekzak heeft als men met iemand staat te praten. Toch is het mogelijk hier bewust van te worden en vervolgens de gewoonte aan te passen, met training.    
Een andere manier om disfunctionele gedachten op het spoor te komen is via zogenaamde zelfanalyse-formulieren, ook wel G-schema-formulieren genoemd. Als men met de therapeut deze formulieren regelmatig invult leert men gedachten op te sporen, welke gevoelens daar bij horen en welke zelfbeelden horen bij deze gedachtenpatronen. Het zelfanalyse-formulier begint met het invullen van een gebeurtenis, een anecdote waardoor men 'van streek' raakt. Vervolgens is de tweede stap te leren welke basisemotie vooral daarbij hoort; voor de eenvoud wordt altijd verondersteld dat er 1 basisemotie het meest actief/intens is. Een derde stap is het vrijuit opschrijven van welke automatische gedachten bij die gebeurtenis opkwamen. Enkele van deze automatische gedachten bevatten die gedachten die met name de basisemotie zo intens hebben gemaakt. Het gaat natuurlijk om het opsporen van die 'giftige' gedachten die het meest bijdragen aan de intensiteit van de opgeroepen emoties. Een vierde stap is het dooranalyseren van de automatische gedachten naar de diepste laag: de basisgedachten over zichzelf. Deze basisgedachten worden meestal in "ik ben" formuleringen uitgedrukt. Voorbeelden zijn: Ik ben stom, ik ben een sukkel, ik ben machteloos, ik ben zwak/zielig. Een laatste stap is het aanvallen van de opgespoorde basisgedachten omdat zij vrijwel altijd te onrealistisch geformuleerd zijn. Daarmee geven ze onnodig veel verdriet, angst of woede en dat werkt meestal blokkerend.
Het is van wezenlijk belang te beseffen dat de opgespoorde basisgedachten meestal niet realistisch en waar zijn maar gesuggereerd worden door iemand's eigen gedachten en gedrag. Het is dus in feite terug leren redeneren: als iemand bepaald gedrag vertoont, wat zegt dat dan over die persoon? Bijvoorbeeld: een spreker die plotseling kwaad wegloopt als hij teveel vragen niet meer blijkt te kunnen beantwoorden? Een man die van zijn werk thuis komt en op een vriendelijke vraag van zijn vrouw "wil je even de vuilnisbak buiten zetten?" zeer bits en agressief reageert? Wat zegt dat over de op dat moment geactiveerde instelling/houding van die mensen? Welke basisgedachten over zichzelf zijn dan ineens actief? Als men dit leert beseft men beter waarom men zus of zo reageert en kan men zichzelf leren minder emotioneel intens te reageren.
In essentie doet men dat door gedachten over zichzelf, de ander en de wereld te herzien. Men leert ze te onderzoeken en deze onderzoekende instelling ten opzichte van zichzelf is vaak ook verstandig ten opzichte van de omgeving. Men ontdekt dat men door de opvoeding en eigen ervaringen, gedachtenpatronen heeft ontwikkeld die vaak te extreem zijn, te onrealistisch, waardoor er altijd meer stress met de omgeving ontstaat dan nodig is. En dat is zonde van de energie. Teveel stress is immers schadelijk voor het lichaam en geeft meer pijn dan nodig is. Ook verlopen lichamelijke herstelprocessen minder snel dan zou kunnen. Daarom is het aanvallen van dergelijke schadelijke gedachtenpatronen (ook wel denkgewoonten genoemd) essentieel. Dit 'aanvallen' is in feite niets anders dan enige nuancering aan te brengen en de gedachten te verzwakken.
 
Aanbevolen literatuur
J.S. Beck (1995). Cognitive Therapy: Basics and Beyond. New York: The Guilford Press.
R. E. McMullin (2000). The new handbook of cognitive therapy techniques, revised edition. New York: W.W. Norton and Company (een echte aanrader!).
0 Totaal items

<< Alle categorieën
Over emoties en stress
Home (English)Home (Dutch)AboutOverDownloadsAfbeeldingengalerijBlogContactOver mij